in Boeken

Slurpen van de rijke soep der wielerromantiek

tim-krabbe-de-rennerEen zondagmiddag in mei, de Giro d’Italia is gisteren begonnen. De tv is afgestemd op de Belg, ik volg de laatste tien kilometer van de etappe naar Genua. In de straten van La Superba houdt de ploeg van Alberto Contador haar kopman uit het gedrang. Door het beulswerk voorop trekt het peloton zich op een lint. De snelheidslimiet die op deze rondweg geldt wordt ruimschoots overschreden. Aan de staart van de dwaze horde hijgen de minderen de longen uit het lijf. Plots doemt er van links iets op.

Wat volgt zijn piepende remmen, kreunend carbon en ledematen geschaafd tot rosbief. Als alle lichamen en fietsen zijn ontward blijkt dat de koers een verstekeling heeft opgepikt. Een wielertoerist waande zich toprenner, met fatale gevolgen. Zijn wielerfantasie werd plots de waarheid, maar kletterde vrijwel direct kapot op de keien.

Dit is de tragiek van een amateur in lycra die meent met de beste naar de meet te kunnen. Grootheidswaan, ik lijd er in mindere mate ook aan. Een aantal keer per week hijs ik me in een strak elastisch pak, zet een helm op en vul mijn bidon. Ik ben naast recreant ook parttime missionaris. Afgelopen jaar overtuigde ik Henk om mee te doen met een toertocht op de fanclubdag van profrenner Wout Poels. Al pedalerend gaf ik een betoog over de schoonheid van de sport. Zo kreeg de hijgende hoofdredacteur een klein college wielercultuur, met De renner (1978) van Tim Krabbé, het oerboek, als uitgangspunt.

Wat Gijp is voor de vloekende voetbalkijker is de De renner voor de wielerliefhebber. Krabbé neemt, als verdienstelijk wielrenner, de door hem gereden Ronde van Mont Aigoual als uitgangspunt. Van kilometer tot kilometer volg je deze Franse koers waarin de protagonist bergen verzet om bij de eersten te eindigen. Een racefiets heeft geen bagagedrager, maar de meeslepende monologue intérieur drukt je op de achterband van de hoofdfiguur:

Ik moet omkijken om de renner van Cycles Golff te zien. Het gaat slecht met hem. Iedere trap is met de hakken over de sloot, dat zie ik zelfs. Als je een dubbeltje tegen hem aangooit is hij gelost. De man met de hamer zou hem uit humanitaire overwegingen een klap moeten geven.

De renner is een boek dat volgens de schrijver niet alleen de sportliefhebber aanspreekt. ‘Het gaat zonder enig excuus alleen maar over wielrennen en is toch niet bedoeld als boek voor het wielerpubliek. De kracht is dat het niets wil zeggen over de menselijke conditie. Het wil alleen maar de wedstrijd beschrijven. Precies zoals literatuur moet zijn,’ aldus Krabbé in Arthur van den Boogaards wielerbundel Slipstroom (2011). De renner is inderdaad een mooie entree tot de wielerwereld, een universeel verhaal om wielerloze zieltjes te winnen voor de mooiste sport die er bestaat. Toch ontnemen Tims welig tierende wenkbrauwen hem hier het zicht op eigen werk. Het boek staat in mijn ogen namelijk bol van het menselijk lijden; zwaar zwoegen om het eigen moreel op te krikken en de ander af te troeven. Krabbé wil laten zien dat de fietsende mens zich in een rijker universum bevindt dan de man aan de zijlijn, wat ook blijkt uit de meest geciteerde zin van het boek:

Vanaf terrasjes kijken toeristen en inwoners toe. Niet-wielrenners. De leegheid van die levens schokt me.

Een sterk staaltje distinctiedrang van de fietsende schrijver, de onderscheidende aantrekkingskracht die maakt dat vele mannen en vrouwen als onbezonnen fopprofs over de lanen jakkeren. Ook ik kijk meewarig naar de duo’s op elektrische fietsen die ik voorbij zoef. Ook ik beklim in gedachte de steile flanken van de Alpen, terwijl ik in werkelijkheid de top van de Amerongse Berg, een puistje op de Utrechtse Heuvelrug, bereik. Historicus Johan Huizinga sprak in zijn magnum opus Homo Ludens over de noodzaak van de spelende mens als cultuurvormer. Andere volwassenen spelen met treintjes of volgen een cursus aquarellen, ik speel wielrenner. Ook in De renner komt het zelfgeschapen universum, vol van verbeelding en heroïek, naar voren:

De renner rolt uit, langzaam komt hij weer op adem, langzaam rijdt hij verder naar het volgende stoplicht. Hij gaat staan en monstert zijn tegenstanders. Een BMW-motor ziet er onklopbaar uit.

Een miljoen als hij toch het zebrapad als eerste haalt!

Dit verslag is een pleidooi voor de meest geromantiseerde sport die er bestaat. Krabbé geeft in het interview met Van den Boogaard aan dat hij zijn boek in eerste instantie de titel De achterzak van Anquetil had willen geven. Hiermee doelt hij op de aangedikte anekdote waarin werd beweerd dat de Franse renner Anquetil tijdens beklimmingen altijd zijn bidon in zijn achterzak deed om met een lichtere fiets boven te komen. Nonsens natuurlijk, maar te mooi om niet door te vertellen. En zo worden binnen het wielrennen vette verhalen gegenereerd; renners, journalisten en adepten die als connaisseurs de anekdotes oplepelen uit de rijke soep die de sport serveert.

In mijn boekenkast heeft De Renner inmiddels gezelschap gekregen van andere pareltjes uit de wielerliteratuur. Een kleine greep uit dit pillenpeloton: Dino Buzzati’s De ronde van Italië (1949) plaatst het tweegevecht tussen Bartali en Coppi op een lijn met de mythische strijd tussen Hector en Achilles. Literair zwaargewicht Gabriel Garcia Marquez beschrijft in De kampioen van Colombia het wielerleven van de vederlichte renner Ramón Hoyos (1955). Toonbeeld van meer dan een eeuw wielerverhalen is Frank Heinens Uit koers (2014) over de lamlendige, bizarre en kostelijke levens van vergeten renners. Ja, zelfs zij vinden hun weg naar de literatuur.

Naast mijn boekenkast hangt een kleine kalender die de dagen aftelt naar het moment waarop de Tour de Domstad aandoet. Dit geeft een kinderlijk plezier. Waar ik twintig jaar geleden op mijn fietsje ‘Demarrage!’ riep, zal ik in Utrecht mijn longen schor schreeuwen op ‘Allez! Allez!’. Het wielercircus trekt vervolgens van stad naar stad. Een karavaan van reclamevoertuigen, ploegauto’s en motoren trekt zuidwaarts. De hoofdact bestaat uit tweehonderd trappende asfaltacrobaten gehuld in glimmende pakken die met zinderende snelheid het klappende en joelende publiek voorbij zoeven. Na drie weken en duizenden kilometers zal een gehavend gezelschap Parijs binnen denderen. De sport is dan weer vele verhalen rijker.